Gepost door: Gilbert | 7 Jun 08

Sponske vertelt: Opa naar school

Toen ik gisteren van school thuiskwam hoorde ik van in de gang dat oma en opa op bezoek waren, en dan valt er natuurlijk altijd iets te beleven.
Vlug de jas aan de kapstok, de boekentas tegen de muur gesmakt en de living in.
Opa begon juist te vertellen over zijn eerste stappen in de lagere school.
Zoiets interesseerde me wel, en na iedereen begroet te hebben plofte ik naast hem neer in de zetel.
Als kleine snotneus ging hij naar school bij de Mères of Ursulinnen in de Hoogstraat, de ingang voor de kleuters was natuurlijk in de Groenstraat, zoals dat nu nog het geval is.
Ze werden allemaal opgevangen door Mére Clement Marie, een lieve zuster die hen de eerste schoolstappen aanleerde.
Later werd het een schoolmiestes, en maakten ze kennis met juffrouw Wouters in het eerste studiejaar.
Men fluisterde toen in de rangen dat daar alle stoute kinderen bij terechtkwamen want de brave die mochten naar juffrouw Peeters.

Achteraf geloofde opa daar natuurlijk nul de botten van.
Het was wel zo dat ze hem eens in den hoek zette, en dat hij daarop reageerde met duchtig tegen haar schenen te stampen.
Ja opa, dat zou ik nu eens moeten doen, een toefeling zou zeker volgen.
Nu was opa precies nog fier op zijn reactie, alhoewel oma afkeurend haar hoofd schudde.
Toch amuseerden ze zich in de klas, hij haalde er goede punten en kreeg regelmatig ne lekstok van de juffrouw.
Ik zal dat maar geloven zeker.
Oma bevestigde het, zij was immers ook naar die school geweest en kwam eveneens met van die plekpoete thuis.
In die tijd kon men als jongen de lagere afdeling evenwel niet afwerken in de meisjesschool, en daarom werd door zijn ouders besloten hem voor het tweede studiejaar naar het Sint-Romboutscollege op de Veemarkt te sturen.
Een beetje ongerust, met traantjes in de ogen en nen echtege en techtege calepin trok hij naar de klas.
Alle leerlingen werden er vriendelijk ontvangen door meester Jacobs, ne grote magere man die hen direct op hun gemak zette, bij manier van spreken natuurlijk.
Onder de speeltijd mochten ze voetballen op de koer en bij meester Jacobs zouden ze leren lezen, schrijven en rekenen.
Rekenen vond opa wel plezant, ze deden het met de hulp van een groot houten bord met allemaal kleine houten plankskes.
De meester hing er ééntje met een “1″ links, en een ander met een “1″ rechts van het plankske met het teken “+”, ze moesten dan de som kunnen zeggen van die twee getallen, de juiste oplossing, het plankske met de “2″ moesten ze zoeken uit de voorraad, en dat werd aan het vijfde nageltje gehangen naast het teken “=”.
Het was precies puzzelen en dat deed opa graag.

Schrijven was wat moeilijker alhoewel hij heel enthousiast begon, want hij mocht immers zijn nieuwe lei bovenhalen en een doosje met griffels.
Ik vroeg aan opa wat een griffel eigenlijk was want van zoiets had ik nog nooit gehoord en in onze school gebruiken we dat niet.
Wel jongen, een griffel was een schrijfstift van leisteen waarmee we op een lei schreven, de lei schoonmaken deden we achteraf met een natte spons.
Opa zei nog dat ze geen balpennen mochten gebruiken om te leren schrijven, een pen mocht wel, die moesten ze dan in een inktpot doppen, die gevuld was met zwarte inkt.
De inktpot hing boven in het vast gedeelte van de lessenaar, want het deksel konden ze naar omhoog tillen om hun boeken op te bergen of te nemen.
Dat was wel een heel gedoe want als het deksel van de lessenaar te hard werd dichtgeslagen sprong de inktpot de hoogte in en vloog de inkt op hun papier.
Met potloden mochten ze wel schrijven. Opa had een potlood met anelin, en op een bepaald ogenblik brak de punt eraf en moest hij met zijn potloodslijper er een nieuw punt aanmaken.
Het ging echter fout want er sprong een stukje in zijn oog.
In de kortste tijd zag het wit van zijn oog blauw en de meester stuurde hem naar de keuken bij de nonnekes waar hij zijn oog moest laten uitwassen.
Ik wist niet dat daar ook nonnen woonden, zei oma verwonderd.
Natuurlijk, antwoordde opa, ik zal het toch wel weten zeker.
Het waren de Norbertinnen die in 1870 vanuit Duffel in Mechelen een zelfstandige congregatie oprichtten in de Voochtstraat, ze hadden hun kapel op de hoek van de Bleekstraat, deze zusters stonden vroeger ook in dienst van het Sint-Romboutscollege.
Dat geheim is dan ook alweer opgelost.
De zusters deden hun best, en in de kortste tijd was het oog terug in orde, ging opa verder.
Meestal werd er echter met een gewoon potlood geschreven.
Kan er me iemand vertellen waaruit een gewoon potlood bestaat, vroeg onze pa.
Iets met grafiet, zei ons ma, maar juist weet ik het niet.
Een potlood bestaat uit een stift, gemaakt uit een mengsel van grafiet en klei, en daar rond een houten omhulsel, het mengsel werd in een oven gebakken.
Veel klei en weinig grafiet geeft een hard potlood, veel grafiet en weinig klei een zacht.
We knikten allemaal, maar onze pa had nog niet gedaan.
Het potlood werd in 1794 uitgevonden door de Fransman Nicolas-Jacques Conté.
De Amerikaan Hymen L. Lipman bracht in 1858 het potlood, met een gommetje aan het eind, op de markt, en in 1924 kregen we de kleurpotloden met als voornaamste fabrikanten Staedtler en Conté.
Dat nog even terzijde.
Opa vertelde dan verder dat ze ook moesten leren schrijven tussen de lijntjes, daar waren speciaal voorgedrukte schriften voor, die werden gekaft en voorzien van een etiket met daarop “Schoonschrift”.
Opa had er iets op gevonden om goede punten voor rekenen te halen, op zijn schrift stonden achteraan op de kaft de tafels van vermenigvuldiging gedrukt, zo kon hij stiekem eens spieken.
Spijtig genoeg was de meester ook niet van gisteren en kwam er vlug een einde aan het mooie liedje.
Opa, opa, en ik die dacht dat ge zo een brave jongen waard.
Was ik ook, ik wou toen slechts even mijn totalen controleren.
Opa, onze meester leerde ons een mooi spreekwoord : “Maak dat de ganzen wijs”.
Kent gij dat ook opa ?


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën